TERUG
Gebed(sdiensten)
BIDDEN IS MIJN MANIER VAN LEVEN
Org.Nederland
'BIDDEN IS MIJN MANIER VAN LEVEN'
Leni Slotboom brengt dagelijks twee uur door in haar kluis en een dag per week in een abdij. Bidden en doen horen voor elkaar bij elkaar. “Als je voor iemand gebeden heb, kun je daarna niet meer doen alsof die persoon niet bestaat.”


'Bidden is mijn manier van leven'Tekst: Jan van Hooydonk, Beeld: Anita Pantus


Een huis aan de rand van Arnhem. Vanuit de tuin uitzicht over de velden en, in de verte, de spoorlijn naar Nijmegen. Achter in de tuin, beschut door struiken en omgeven door een kleine moestuin met daarin een bronnetje, een caravan van bescheiden afmetingen, groen geverfd. Eens ging de familie Slotboom met die caravan op vakantie; sinds een jaar of twintig heeft hij een andere bestemming. “Loop met mij het pad dat ik zowat elke morgen om 6 uur loop.” Met deze woorden nodigt Leni Slotboom-van der Mout (69) me uit om haar te volgen naar wat zij wat zij haar ‘kluis’ noemt. Deze caravan is haar ‘heilige ruimte. In deze kluis beleeft zij haar ‘meest heilige uren’, de tijd tussen 6 en 8 uur ‘s morgens, wanneer het donker wijkt voor het licht. Op de tafel in de kluis een Chagallbijbel, een boek met teksten van de woestijnvader Antonius, een opschrijfboekje en een kleurboek met mandala’s. Het zijn haar hulpmiddelen bij twee uur van gebed. 
“Over bidden praten, daar ben ik eigenlijk niet zo van”, zegt Leni Slotboom. “Zolang je er niet over praat, kun je in jezelf de beelden hebben die je wilt. Nee, ik ben niet bang dat ik door erover te praten door mijn religieuze beleving heenzak, maar iemand zou mij mijn beleving kunnen afpakken of iemand weet ’t beter dan ik of vindt het maar gek wat ik doe.”

Zekerheid op zijn kop
Leni Slotboom werd op latere leeftijd predikant. Ze was vanaf haar vijftigste tot haar pensionering geestelijk verzorger in het verpleeghuis Kalorama in Beek (bij Nijmegen). Ze had de afdeling voor doofblinden onder haar hoede; later kwam het hospice erbij. “Dat werk was me op het lijf geschreven. Ik ben geen theoloog, maar een pastor. In het verpleeghuis heb ik gezien hoeveel bidden – ook een eenvoudig Weesgegroet of Onzevader – voor mensen kan betekenen. Ik had er ook geen moeite mee om hardop in een gebed samen te vatten wat mensen meemaakten. Bidden is eigenlijk altijd in mijn leven geweest. Dit hoort bij mij, van kinds af aan. Toen ik werd geboren, was mijn vader in Indië. Hij kwam pas thuis toen ik 3 was. Elke avond voor we als kinderen gingen slapen, gaven we een kusje op de foto van papa. En dan gingen we altijd bidden voor papa.”
“Niet streng maar blij” was het gereformeerde gezin waarin ze opgroeide – eerst in Den Haag en later in Nijmegen. Tijdens haar studententijd (verpleegkunde) ging de wereld voor haar open. Ze leerde Peter kennen, die haar man zou worden. Ze kregen twee dochters. Ze werd voor de derde keer zwanger. Een miskraam. “Dat heeft mijn zekerheid op zijn kop gezet. Dat is voor mij het punt geweest dat ik anders ben gaan denken: Je kunt niet met hard werken of met goed je best doen, alles bereiken wat je wilt. Je kunt niet alles in het leven naar je hand zetten.”
Had ze dat door die miskraam al niet geweten, dan toch wel door haar ziekte. Twee broers stierven jong; ook haar oudste zus en nog een aantal andere familieleden stierven voor hun tijd. Onderzoek wees uit dat zij, zoals de overige leden van haar familie, drager is van een gen dat verwant is aan het syndroom van Marfan en van Ehlers-Danlos, een erfelijke ziekte die het bindweefsel aantast en vaak gepaard gaat met een aneurysma, een uitstulping, van de aorta. Deze potentieel levensbedreigende ziekte heeft haar leven diepgaand getekend. “Ik heb een maand tussen leven en dood gezweefd”, vertelt ze. “Als Peter me ’s avonds in het ziekenhuis bezocht, wist hij niet of hij me de andere morgen nog levend zou aantreffen. Ik ben geopereerd aan een aneurysma terwijl ik terzelfder tijd ook nog eens borstkanker had. Sinds ik nieuwe knieën heb gekregen, kan ik weer een klein stukje lopen, maar verder ben ik aangewezen op een rolstoel. Je moet dealen met wat je overkomt.”

Dagelijks ritme
Om er even tussenuit te zijn ging ze na haar miskraam een paar dagen logeren in de abdij van de zusters benedictinessen in Oosterhout. Ook dat was in haar leven een beslissende ervaring. “Aan de ene kant was er het verlangen: zó wil ook leven, een leven van gebed leiden zoals deze monialen. Aan de andere kant werd ik heel erg op mezelf teruggeworpen. In zo’n abdij ben je een groot deel van de dag alleen.”
Zuster is ze niet geworden. “Mijn eerste verantwoordelijkheid is mijn gezin, Peter, de kinderen, onze vier kleinkinderen.” Maar ze komt nog steeds in Oosterhout en heeft intussen dichterbij haar woonplaats een tweede abdij gevonden die haar lief is. Tegenwoordig brengt ze één dag per week door bij de trappistinnen in Oosterbeek. Ze neemt er tussen 7 uur ’s morgens en 6 uur ’s avonds deel aan de eucharistie en de gebedsdiensten. In de uren die ze niet in de kapel doorbrengt, maakt ze zich als vrijwilligster nuttig en doet de boekhouding van het klooster. “De gebedsuren van de abdij maken deel uit van mijn dagelijkse ritme”, vertelt ze. Om 5 uur bid ik de vespers in de abdij mee in mijn kluis of terwijl ik aan het koken ben. Het avondgebed van de zusters is dan via internet te beluisteren.”
En zondags bezoekt ze met haar man de oecumenische vieringen in de Nijmeegse Stevenskerk. Daarvan kennen we elkaar.Login om meer te lezen


bron: Volzin uitgave: 20 mrt 2017
bericht nr. 18654 :  geplaatst op 20-03-2017 en 115 maal gelezen


Geen gerelateerde berichten
Opties
Deel dit bericht met uw vrienden op sociale media

    Facebook   Bericht afdrukken  Bericht afdrukken